Logo Parlement Buxellois

Schriftelijke vraag betreffende de juridische uitgaven in opdracht 16.

Indiener(s)
Francis Dagrin
aan
Bernard Clerfayt, minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werk en Beroepsopleiding, Digitalisering, Plaatselijke Besturen en Dierenwelzijn (Vragen nr 549)

 
Datum ontvangst: 09/12/2020 Datum publicatie: 16/02/2021
Zittingsperiode: 19/24 Zitting: 20/21 Datum antwoord: 22/01/2021
 
Datum behandeling van het stuk Indiener(s) Referentie Blz.
05/01/2021 Ontvankelijk p.m.
 
Vraag    In de uitgavenbegroting is er een BA 16.001.02.02 Juridische uitgaven. Het voor 2021 voorziene bedrag is ongeveer 120.000 euro, terwijl de aangepaste begroting ongeveer 40.000 euro voorzag en de initiële begroting 2020 120.000 euro.

Hoe valt een dergelijke stijging van de begroting 2021 ten opzichte van de aangepaste begroting te verklaren, en hoe valt een dergelijke daling van de aangepaste begroting ten opzichte van de initiële begroting 2020 te verklaren?

Wat dekken die "juridische uitgaven" precies, in welke gevallen zijn zij nodig?
 
 
Antwoord    De juridische uitgaven gebudgetteerd in BA 16.001.02.02 betreffen:
a) advocatenkosten voor geschillen waarin het Gewest betrokken partij is en waar een rechtsonderhorige bij betrokken is (als eisende partij, verdedigende partij, verzoekende partij, tegenpartij (Raad van State)), of naar aanleiding van een beroep tegen een rechtsnorm aangenomen door het Gewest (beroep tegen een besluit of ordonnantie), of,
b) juridische adviezen verstrekt in het kader van deze bestaande of te verwachten geschillen;
of,
c) die voortvloeien uit de veroordeling van het Gewest tot de betaling van de procedurekosten of kosten in het kader van diezelfde geschillen.

Hierbij valt te verduidelijken dat als het Gewest een beroep wint en de procedurekosten of kosten terugbetaald krijgt, dit niet op deze BA wordt aangerekend, omdat het dan om een ontvangst gaat en de BA enkel uitgaven betreft.

Deze juridische uitgaven worden voor de punten a) en b) uiteengezet, in toepassing van de wet inzake overheidsopdrachten, in het kader van overheidsopdrachten gegund aan de advocatenkantoren gemandateerd voor gerechtelijke bijstand of verdediging of de adviesopdracht voor diezelfde geschillen.

Deze BA heeft betrekking op de volgende opdrachten:
- bijstand en verdediging voor het rechtscollege inzake economische migratie (gecombineerde vergunning en beroepskaart);
- bijstand en verdediging voor het rechtscollege in het kader van de dienstencheques (en de terugvorderingsprocedure van bedragen in die context);
- bijstand en verdediging voor het rechtscollege in het kader van het opleggen van administratieve geldboetes op het vlak van werkgelegenheid.

Deze opdrachten worden over het algemeen gegund voor een periode van 4 jaar en worden vervolgens opnieuw uitgeschreven, met dien verstande dat het advocatenkantoor belast met een geschil het beheer daarvan afrondt zelfs als de overheidsopdracht al verstreken is.

Tot slot zijn de ramingen (qua vastleggingen en vereffeningen) voor deze BA’s per definitie altijd erg willekeurig, aangezien ze afhangen van factoren buiten het Gewest om (ofwel de beslissing van de rechtsonderhorige al dan niet de ontvangen beslissing aan te vechten, of de rechtsnorm, of de ongunstige beslissing van een rechter die het Gewest veroordeelt, ...). Gewoonlijk wordt hier een voorlopige begroting van ongeveer 40.000 euro per jaar en per opdracht aan gewijd, grofweg.

Er valt ook te benadrukken dat 2020 ook sterk verstoord werd op het vlak van de administratieve processen in het algemeen en ook de controles in het bijzonder, wat een impact heeft gehad op het aantal beroepen (er hebben immers minder controles plaatsgevonden op het vlak van dienstencheques, economische migratie en dergelijke), waardoor er minder negatieve beslissingen vielen en dus minder beroep werd aangetekend.

In zijn ramingen let het bestuur erop over genoeg geld op de BA te beschikken om advocatenfacturen te vereffenen, om zo de contractuele betalingstermijnen uit de bestekken na te leven.

Wat de verschillen tussen de begrotingen 2020 en 2021 betreft, is dat hoofdzakelijk het gevolg van de verstoorde werking van de administratieve processen wegens de gezondheidscrisis, zoals hierboven werd toegelicht.

De crisis die in het begin van het jaar de kop opstak, heeft de inspectiediensten verstoord, die minder controles hebben uitgevoerd. Daardoor zijn er minder geschillen. Ook bij de rechtbanken is de werking vertraagd, wat gevolgen heeft gehad voor lopende geschillen.

In werkelijkheid moeten enkel de initiële ramingen onderling vergeleken worden, en dan zien we dat de bedragen niet veranderd zijn, aangezien het telkens om 120.000 euro gaat.