Logo Parlement Buxellois

Schriftelijke vraag betreffende de facebookpost van de directeur-generaal van Actiris over vrouwen die een hoofddoek dragen

Indiener(s)
Fouad Ahidar
aan
Bernard Clerfayt, minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werk en Beroepsopleiding, Digitalisering, Plaatselijke Besturen en Dierenwelzijn (Vragen nr 659)

 
Datum ontvangst: 10/02/2021 Datum publicatie: 29/04/2021
Zittingsperiode: 19/24 Zitting: 20/21 Datum antwoord: 27/04/2021
 
Datum behandeling van het stuk Indiener(s) Referentie Blz.
21/04/2021 Ontvankelijk p.m.
 
Vraag    Net als velen onder ons in deze commissie, heb ik kennis genomen van een bericht dat door de directeur-generaal van Actiris op Facebook werd gepost.

Het commentaar van de directeur-generaal luidde als volgt:

«  Ceux qui me connaissent le savent: je suis, pour les raisons que l’on connait, contre le port du voile, ce message d’inégalité flagrante, ce message irrespectueux des hommes en ce qu’il nous renvoie l’image d’être dont il faudrait prévenir les incontrôlables pulsions. Tous nous choque dans le voile. Et pourtant, je suis désormais ( ce ne fut pas toujours ma position) radicalement pour la liberté de le porter. On ne combat pas une domination par une interdiction qui suscite une réaction identitaire. On la combat par la liberté et l’émancipation. C’est la seule chose qui peut avoir l’effet que nous souhaitons. En un slogan : je suis contre le voile. Et pour la liberté de le porter. »

U zult begrijpen dat deze uitlatingen een groot aantal vrouwen die dit kenmerkende religieuze symbool dragen, maar ook moslimmannen waaronder ikzelf, heeft beledigd en gekwetst. De opmerking gericht tegen moslimmannen is gemeen en dat raakt me persoonlijk.

Wat mij betreft heeft iedereen het recht te denken wat hij wil, maar als leidinggevend ambtenaar van een openbare instelling, die geacht wordt alle vormen van discriminatie en racisme bij aanwervingen te bestrijden, kan men het zich niet veroorloven zijn afkeer van een categorie van mensen te verkondigen. Dergelijke uitspraken zijn duidelijk ontdaan van elk vorm van respect voor verschillen in wezen en verschillen in opvatting of geloofsovertuiging. Dit past niet bij Brussel in haar diversiteit.

Het betreurenswaardige gedrag doet mij ook afvragen hoe de werknemers die een hoofddoek dragen bij Actiris zich moeten voelen, wanneer zij lezen wat hun baas, hun directeur, vindt van het feit dat zij een hoofddoek dragen. En ik moet die vaak gebruikte zin weer naar voren halen, die ik telkens vermeld wanneer zich in onze overheidsdiensten dergelijke incidenten voordoen: mensen die zich niet thuis voelen in een openbare dienst of zich er niet in kunnen vinden, dat zij de overheidsdienst gewoonweg verlaten!

De handelingen en de woorden van een leidend ambtenaar hebben rechtstreeks weerslag op het imago en de goede werking van zijn of haar instelling.

In dit specifieke geval ben ik me ook gaan afvragen hoe het eigenlijk nu zit met de gebrekkige populariteit van het antidiscriminatiebureau “Actiris Inclusive”, dat in 2019 door Actiris werd opgericht. Hoe kunnen slachtoffers worden aangemoedigd om discriminatie bij een aanwerving te melden, wanneer dergelijke discriminerende opmerkingen worden gemaakt door de leidend ambtenaar, wiens taak het is discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden?

Mijn vragen aan u:

- Heeft u deze opmerkingen van de directeur-generaal van Actiris vernomen? Indien ja, heeft u reeds contact kunnen opgenomen met de Directeur Generaal van Actiris? Wat heeft u met hem besproken en wat waren de conclusies van dit gesprek?

- Over welke instrumenten beschikt u als minister om de directeur-generaal van Actiris te kunnen oproepen voor een tuchtprocedure naar aanleiding van deze grensoverschijdende en discriminerende opmerkingen op een publiek forum als Facebook?
 
 
Antwoord    In antwoord op uw eerste vraag herinner ik u eraan dat alle ambtenaren de vrijheid van meningsuiting genieten die hen wordt verleend door de grondwet en het ambtenarenstatuut.

Ik denk niet dat de woorden van de heer Chapelle binnen het kader vallen van de uitzonderingen op deze vrijheid waarin het statuut voorziet.

Op basis hiervan heb ik geen contact opgenomen met de heer Chapelle over deze kwestie, vooral omdat de heer Chapelle, als goed geïnformeerde democraat, zijn mening uit terwijl hij aangeeft dat hij voorstander is van de vrijheid om de sluier te dragen.
Wat betreft uw tweede vraag, aangezien de bewering van de heer Chapelle, hoe bijzonder ongelukkig die ook is, noch ongrondwettelijk, illegaal of administratief onregelmatig is, is er geen enkele reden om een ​​tuchtprocedure te starten die geen kans van slagen zou hebben en door de betrokken als hinderlijk zou kunnen worden beschouwd.




Ten slotte wil ik u er ook aan herinneren dat de heer Chapelle zijn functies op 31 mei definitief neerlegt.