Logo Parlement Buxellois

Schriftelijke vraag betreffende de aanbevelingen van het wetenschappelijk comité Huisvesting en de uitvoering ervan

Indiener(s)
Nadia El Yousfi
aan
Nawal Ben Hamou, staatssecretaris van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevoegd voor Huisvesting en Gelijke kansen (Vragen nr 629)

 
Datum ontvangst: 24/02/2021 Datum publicatie: 19/07/2021
Zittingsperiode: 19/24 Zitting: 20/21 Datum antwoord: 12/07/2021
 
Datum behandeling van het stuk Indiener(s) Referentie Blz.
14/06/2021 Ontvankelijk p.m.
 
Vraag    Wij hebben onlangs vernomen dat het Wetenschappelijk Comité Huisvesting zijn verslag heeft uitgebracht en dat het pleit voor maatregelen op het gebied van bestuur, woonomstandigheden en architectonische kwaliteit.

Het comité stelt de oprichting voor van een operationele cel huisvesting om de uitvoering van het noodplan voor huisvesting te ondersteunen en te versterken. Een andere aanbeveling wijst op de noodzaak het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten te herzien om het aantal sociale woningen te verhogen en stedenbouwkundige lasten in natura op te leggen aan projectontwikkelaars wier project is gesitueerd in een gemeente met minder dan 15% sociale huisvesting.

Het probleem van de gebrekkige huisvesting in Brussel staat centraal in de huisvestingscrisis. In het verslag van het wetenschappelijk comité wordt het idee van een technische controle geopperd om de eigenaar te dwingen de conformiteit van zijn eigendom aan te tonen alvorens het te verhuren. Dit is een vernieuwend idee dat aansluit bij denkwerk dat al werd gestart in het NPH.

Na lezing van het verslag viel het mij op dat de kwestie van de huurprijsbeheersing niet frontaal wordt aangepakt. Deze vraag is echter van essentieel belang voor de oplossing van de huisvestingscrisis die wij doormaken. Tijdens uw presentatie sprak u over een bezinning op de controle van de huurprijzen in de privésector. Kunt u ons zeggen hoe ver uw kabinet met dit onderwerp is gevorderd? En hebt u de kwestie onlangs met de betrokken sectoren besproken?

Graag een antwoord op volgende vragen:

- Wij weten dat er in het NPH sprake is van de oprichting van een operationele cel huisvesting, maar bent u van plan deze cel extra middelen te verschaffen?
- Zijn er plannen om het mechanisme van de stedenbouwkundige lasten te hervormen in de door het wetenschappelijk comité voorgestelde zin?
- Hoe denkt u de oplossing van een technische controle te integreren in de acties van het NPH betreffende de slechte toestand van woningen?
 
 
Antwoord    De operationele cel huisvesting die u in uw eerste vraag vermeldt, zal effectief over de middelen beschikken die nodig zijn voor de goede werking ervan. Er zijn namelijk al kredieten uitgetrokken voor de bezoldiging van 8 vte’s, en ook voor de Brusselse huisvestingsreferent, die ook deel zal uitmaken van deze cel.


Deze cel zal ophouden te bestaan na haar opdracht, namelijk in december 2024.


De gewestelijke beleidsverklaring voorziet inderdaad in de herziening van het mechanisme van stedenbouwkundige lasten. De noodzaak van deze herziening werd aanvankelijk door de onderhandelaars vastgesteld en vervolgens door het wetenschappelijk comité bevestigd.

Deze hervorming zal worden geleid door staatssecretaris Pascal Smet en, in mindere mate, door minister-president Rudi Vervoort.


Het doel is aan te sluiten bij het voorstel van het wetenschappelijk comité betreffende de noodzaak rekening te houden met de bestaande bebouwing in de Brusselse wijken en gemeenten.

In de gemeenten waar het aandeel sociale woningen onder de doelstelling van 15% blijft en waar de sociaaleconomische indexen het gewestelijk gemiddelde overstijgen, dienen de stedenbouwkundige lasten verplicht besteed te worden aan de productie van sociale woningen of huisvesting met een sociaal karakter.

Het doel van deze hervorming is de creatie van openbare en sociale woningen te bevorderen.
 
Wat tenslotte uw vraag betreft over de technische controle van de acties van het Noodplan voor Huisvesting op het vlak van ongezonde woningen, moet er op worden gewezen dat momenteel alle woningen waarvoor een verhuurverbod geldt, wettelijk pas weer op de huurmarkt kunnen worden gebracht nadat er conformiteitswerken zijn uitgevoerd en nadat de Gewestelijke Huisvestingsinspectie (DGHI) een conformiteitscontroleattest heeft afgeleverd na een verplicht controlebezoek.


Verhuurders die een woning opnieuw verhuren zonder dat ze een conformiteitscontroleattest hebben verkregen, riskeren een administratieve geldboete tussen 2.000 tot 25.000 euro per verhuurde woning.


In het kader van het Noodplan is een samenwerking met de gemeenten tot stand gebracht om een geïnformatiseerd waarschuwingssysteem op te zetten dat een melding geeft van zodra een woning met een verhuurverbod het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot inschrijving in het bevolkingsregister. Op die manier zal de DGHI kunnen nagaan of de woning in overeenstemming is gebracht met de normen en de verhuurder desgevallend een boete kunnen opleggen.

Met dit systeem zullen de gemeenten ook de adressen kunnen doorgeven van woningen waarvoor een onbewoonbaarheidsbesluit werd genomen op grond van artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet.

Zoals u weet, voorziet het Noodplan voor Huisvesting in de versterking van het personeel van de DGHI met 14 voltijdsequivalenten die verantwoordelijk zijn voor de bestrijding van ongezonde woningen.
Betreffende de invoering van een certificeringssysteem om buiten het kader van een inbreukprocedure aan te kunnen tonen dat woningen in overeenstemming zijn met de Huisvestingscode, kan ik u meedelen dat de DGHI hier ervaring mee heeft, aangezien zij gedurende tien jaar conformiteitsattesten heeft afgegeven aan verhuurders, die van 2003 tot 2013 verplicht waren voor de verhuur van kleine woningen (van minder dan 28 m²) en van bemeubelde woningen. Dit systeem werd echter in 2013 afgeschaft omdat het inefficiënt werd gevonden.

In de praktijk kwamen veel aanvragen van openbare of institutionele verhuurders zoals universiteiten. Onder de private verhuurders waren het vooral verhuurders die de regelgeving wilden naleven. Huisjesmelkers en andere minder gewetensvolle verhuurders, waarop elk beleid ter bestrijding van ongezonde woningen zich gewoonlijk richt, hebben dit systeem immers omzeild, net zoals ze de stedenbouwkundige vergunningen en de EPB-certificaten omzeilen.


Het Noodplan voor Huisvesting voorziet dus in het analyseren van de modaliteiten van een certificering op vrijwillige basis vanwege de verhuurders.

Niettemin vestigen wij uw aandacht op het feit dat de personeelsleden van de DGHI ten volle worden ingezet om te reageren op de klachten van huurders en om initiatiefdossiers te openen om de ernstigste gevallen aan te pakken. Deze opdrachten moeten een prioriteit blijven.


Bij de invoering van een dergelijk attest zal dus rekening moeten worden gehouden met de gevolgen ervan op het vlak van personeelsbeheer bij de DGHI.