Logo Parlement Buxellois

Schriftelijke vraag betreffende de gemeentefiscaliteit inzake opcentiemen op de PB en op de onroerende voorheffing.

Indiener(s)
John Pitseys
aan
Bernard Clerfayt, minister van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Werk en Beroepsopleiding, Digitalisering, Plaatselijke Besturen en Dierenwelzijn (Vragen nr 188)

 
Datum ontvangst: 27/01/2020 Datum publicatie: 08/04/2020
Zittingsperiode: 19/24 Zitting: 19/20 Datum antwoord: 08/04/2020
 
Datum behandeling van het stuk Indiener(s) Referentie Blz.
13/03/2020 Ontvankelijk Uitgebreid Bureau van het Parlement
 
Vraag    Of het nu gaat over de evaluatie van de maatregelen die zijn aangenomen bij de Brusselse belastingverschuiving die tijdens de vorige regeerperiode inging, of om de noodzakelijke denkoefening die we nog deze regeerperiode zullen houden over de rechtvaardigheid en de efficiëntie van het Brusselse belastingstelsel: het fiscale beleid dat het Brussels Gewest voert, kan maar moeilijk los worden gezien van de fiscale maatregelen die de 19 gemeenten nemen. Dat is het geval bij de belasting op arbeid, maar ook bij die op vastgoed. De opcentiemen op de onroerende voorheffing (OV) en op de personenbelasting (PB) die de gemeenten naar eigen goeddunken mogen heffen, beïnvloeden namelijk de totaalbedragen, ontvangen op basis van die twee belastingen.

De afgelopen jaren is het fiscale beleid van de gemeenten afgestemd op de wens van het gewest om de belastinginkomsten voor een deel te verschuiven van arbeid naar onroerend goed. Dat zal in 2020 niet anders zijn, aangezien verschillende Brusselse gemeenten al aangekondigd hebben dat ze dit jaar het bedrag van de opcentiemen die ze bij hun burgers halen, zullen aanpassen. Dat is bijvoorbeeld het geval in Evere, Elsene, Schaarbeek, Sint-Gillis en Ganshoren.

• In Evere gaan de opcentiemen op de OV van 3.200 naar 3.415 centiemen, maar aan de opcentiemen op de PB verandert er niets.

• In Elsene heeft de huidige meerderheid besloten om de opcentiemen op de OV te verhogen, van 2.760 naar 2.950 centiemen. De opcentiemen op de PB wijzigen niet. In Schaarbeek worden de opcentiemen op de OV verhoogd van 3.390 naar 3.810 centiemen en zal de PB significant dalen, van 5,8 naar 4,9%.

• In Sint-Gillis werd een verlaging van de PB van 6,5 naar 6,3% aangekondigd en zouden de opcentiemen op de OV stijgen van 2.960 naar 3.050 centiemen.

• In Ganshoren ten slotte blijven de opcentiemen op de OV ongewijzigd op 2.990 centiemen en daalt de PB lichtjes, van 7 naar 6,9%.

Het gaat er hier niet om of die beleidsmaatregelen steekhouden of niet.

Deze aanpassingen zetten over het algemeen de koers voort van een verschuiving van de fiscale lasten tussen de inkomsten uit arbeid en die uit vastgoed. Ze geven echter ook aanleiding tot bezorgdheid, die samenhangt met de grote kloof die tegenwoordig bestaat in de hoogte van de gemeentelijke belastingen. In 2019 bedroegen de opcentiemen op de PB tussen de 5,7% (in Ukkel en Sint-Lambrechts-Woluwe) en 7,5% (in Elsene en Watermaal-Bosvoorde); dat is een aanzienlijk verschil. Op de opcentiemen op de OV die werden geheven door de 19 Brusselse gemeenten, zat een al even aanzienlijk verschil: tussen 1.990 (in Oudergem) en 3.390 extra centiemen (in Schaarbeek). De voor dit jaar aangekondigde verhoging in Schaarbeek van de opcentiemen op de OV zal die kloof overigens alleen maar groter maken.

Het kan zeker zo zijn dat de specifieke omstandigheden van elk van de gemeenten apart een aangepaste fiscale strategie vereisen, maar al te grote verschillen in de gemeentelijke heffingen leveren verscheidene problemen op. Zou er daardoor geen 'fiscaal shoppen' tussen de gemeenten kunnen ontstaan? Creëert het geen grote begrotingsongelijkheid tussen de gemeenten? Welke gevolgen kunnen fiscale verschillen hebben voor de sociaal-economische samenstelling van een gemeente?

In een onlangs in L'Écho verschenen artikel wierp onze collega Emmanuel De Bock soortgelijke vragen op. Hij kwam met het idee van een "fiscale muntslang": stel een plafond in om al te grote belastingverhogingen tegen te gaan. Dit is niet de plaats om opnieuw een theoretisch debat aan te gaan over de rechtvaardiging van een belasting en van haar proporties, maar we moeten het wel eens zijn dat al te grote verschillen kunnen leiden tot een reeks perverse effecten binnen het gewest. Om die schadelijke gevolgen te vermijden, is het duidelijk dat al het gemeentelijke beleid inzake fiscale opcentiemen maar beter gecoördineerd wordt. Dat moet doordacht en weloverwogen gebeuren, om er zeker van te zijn dat het op gewestelijk niveau leidt tot een constructieve harmonisering van het gemeentelijk belastingbeleid, met een juiste mix van convergentie en flexibiliteit.

Mijnheer de minister,

• Deelt u de bekommernis en vindt u ook dat al te grote ongelijkheden in de hoogte van de gemeentelijke heffingen vermeden moeten worden om de hierboven beschreven ongunstige effecten te vermijden?

• Bent u ook van oordeel dat het nu noodzakelijk is dat er, na overleg, een mechanisme komt om de gemeentelijke heffingen op fysieke personen en vastgoed te stroomlijnen?

• Hebt u al nagedacht over gewenste oplossingen om te komen tot een harmonisering van het fiscale beleid van de gemeenten? Zo ja, welke mechanismen worden er bestudeerd? Hoe werden de lokale besturen tot nu toe bij de denkoefeningen betrokken?

• Overigens wordt in de gemeenschappelijke gewestelijke beleidsverklaring, als een van de grote werkpunten aan het begin van de regeerperiode, aangekondigd dat er een staten-generaal komt over alle organisatie- en coördinatiekwesties tussen gemeenten en gewest. Die staten-generaal wordt een goede gelegenheid om dialoog en overleg tot stand te brengen tussen de beleidsniveaus over een hele reeks belangrijke thema's en gedeelde bevoegdheden. Is het samenbrengen van het fiscale beleid van gewest en gemeenten een van de thema's die aan bod zullen komen tijdens de staten-generaal? Zal er, meer in het bijzonder, nagedacht worden over een harmonisering van het beleid van de gemeenten met betrekking tot de opcentiemen (zowel op de personenbelasting als op de onroerende voorheffing)?
 
 
Antwoord    Het klopt dat de harmonisering van de gemeentelijke fiscaliteit een onderdeel is van de algemene beleidsverklaring en wel in deze bewoordingen:

De Regering zal het Fiscaal Compensatiefonds afstemmen op de huidige realiteit om de doelstellingen in verband met economische ontwikkeling en milieuverantwoordelijkheid te heromschrijven, het fiscaal stelsel overzichtelijker te maken door de belastingreglementen te harmoniseren of door de inkohiering van belastingen voor rekening van de gemeenten te laten beheren door het gewest (één-loket voor de fiscaliteit). Zij zal zich ervan vergewissen dat de maatregel neutraal is voor de gemeenten (gewaarborgd rendement).”

Mijn persoonlijke mening over deze kwestie doet er dus niet echt toe. Het is wenselijk dat de belangrijkste belanghebbenden, namelijk te gemeenten, nu uitgebreid worden geraadpleegd.

Op 21 januari 2020 heb ik de Conferentie van Brusselse burgemeesters ontmoet. Ik heb toen de kwestie van de harmonisering van de belastingen ter sprake gebracht en heb dit onderwerp als voer voor debat achtergelaten bij de burgemeesters opdat ze bepalen of een harmonisatie al dan niet wenselijk is en dat ze indien nodig de soorten belastingen die ze wensen te harmoniseren vastleggen.

Inderdaad, krachtens artikel 170, §4 eerste lid van de Grondwet hebben de gemeenten een eigen taxatierecht, net als artikel 9 §3 van het Europees handvest inzake Plaatselijke Economie ook voorziet in dit principe van fiscale autonomie van de plaatselijke besturen. Het Gewest kan dus niet autonoom beslissen om de bevoegdheid van de gemeenten ter zake te beperken of een harmonisatie van de belastingen op te leggen zonder voorafgaandelijk overleg en akkoord met deze gemeenten.

Dit onderwerp verdient echter ruimte voor debat en het kader van de Staten-Generaal lijkt de ideale gelegenheid om dit thema te bespreken zodat gepeild kan worden naar de verwachtingen en de behoeften van de plaatselijke besturen wat betreft dit thema. Het zal daarom ook als werkthema aan de regering worden voorgesteld.