Logo Parlement Buxellois

De werking

Sinds zijn oprichting in 1989 is het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, net zoals Vlaanderen en Wallonië, een volwaardig Gewest. Dit heeft voor een opmerkelijk keerpunt gezorgd in het bestuur van het stadsgewest, dat sindsdien eigen instellingen en bevoegdheden heeft.

Het Parlement bekleedt een vooraanstaande plaats onder de gewestelijke instellingen.
Hier klopt het hart van de democratie, hier wordt het grootste belang gehecht aan belangrijke waarden van burgerzin: luisteren, dialoog, verdraagzaamheid en besluitvorming in het belang van iedereen.

 
Demi-cercle

Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement (BHP)

 Drie essentiële opdrachten:
  • een wetgevende taak die erin bestaat te beraadslagen en teksten goed te keuren die de regels zullen vaststellen die gelden in de aangelegenheden waarvoor het Gewest bevoegd is, met andere woorden die de krachtlijnen van het gewestelijk beleid zullen bepalen,
  • de begrotingen goedkeuren,
  • de controle van de gewestregering die het benoemd heeft.
 
Ordonnanties en verordeningen

Het Parlement vaardigt regels uit met betrekking tot de gewestelijke aangelegenheden bij wege van ordonnanties die kracht van wet hebben en vaardigt regels uit met betrekking tot de agglomeratieaangelegenheden bij wege van verordeningen.

 
Het initiatief

De wetgevende macht wordt collectief uitgeoefend door het Parlement en de Regering; elk van deze twee organen beschikt over het initiatiefrecht, dit is het recht het onderzoek en de goedkeuring van een tekst voor te stellen.
De tekst die de Regering indient bedoeld om een ordonnantie of een verordening te worden, noemt men een “ontwerp”.
Dergelijke tekst die ingediend wordt door een Brussels volksvertegenwoordiger noemt men een “voorstel”.

De werkzaamheden in de commissies

In het Parlement zijn acht vaste commissies ingesteld die elk een of meer beleidsbevoegdheden voor hun rekening nemen. Zowel de voorstellen als de ontwerpen worden eerst in de bevoegde commissie(s) onderzocht, naargelang de materie die aan bod komt.

Bij de behandeling in commissie krijgen de begrotingen alsmede de ontwerpen van ordonnantie en van verordening voorrang. De voorstellen worden tweemaandelijk exclusief besproken tijdens een commissievergadering.

De commissie kan de leden van de Regering, de indiener van het onderzochte voorstel of elke persoon die zij wenst te raadplegen, horen. Zij wijst een van haar leden aan als rapporteur, die verslag moet uitbrengen aan de plenaire vergadering.

Nadat de commissie de bespreking van een ontwerp of voorstel afgerond heeft, wordt dit vervolgens door het Parlement in plenaire vergadering besproken.

Elke Brusselse volksvertegenwoordiger heeft het recht amendementen in te dienen (met andere woorden, voorstellen om de tekst te wijzigen), zowel in de commissie als in de plenaire vergadering.

De bespreking in de plenaire vergadering

De voorzitter van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement kan, indien hij dat nodig acht, het advies van de Raad van State vragen, om het parlement te kunnen inlichten over de juridische aspecten of problemen die een ontwerp, voorstel of amendement kenmerken. Wat de ontwerpen van ordonnanties betreft is het advies van de Raad van State altijd verplicht. De Regering moet zelf dit advies inwinnen alvorens de ontwerpen bij het parlement in te dienen.

Drie vierde van de leden van een taalgroep kan, in een met redenen omklede motie (een tekst waarin een standpunt wordt ingenomen), verklaren dat sommige bepalingen van het ontwerp of voorstel van ordonnantie de betrekkingen tussen de Gemeenschappen ernstig in het gedrang kunnen brengen. De goedkeuring van dergelijke motie schort de stemprocedure op. Zij kan slechts worden voortgezet na een gemotiveerd advies van de Regering. Deze “alarmbelprocedure”, die niet kan worden gebruikt bij de stemming over de begrotingen, dient om ernstige conflicten te vermijden tussen de Vlaamse en de Franse Gemeenschap, die door de taalgroepen in het Parlement vertegenwoordigd worden.

De eindstemming

Eenmaal het onderzoek in plenaire vergadering is afgerond, gaat het Brussels Hoofdstedelijk Parlement over tot de stemming

Nadat het voorstel of ontwerp van ordonnantie of verordening is goedgekeurd, wordt het na bekrachtiging door de Regering een ordonnantie of een verordening, die na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad kracht van wet zal krijgen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

De wetten of bepalingen inzake gewestelijke materies die nu nog in Brussel van kracht zijn, kunnen door een ordonnantie worden opgeheven, aangevuld, vervangen of gewijzigd.

Om de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel te vrijwaren, kan de federale Regering, bij koninklijk besluit, ordonnanties van het Parlement schorsen. Het gaat hier enkel om drie aangelegenheden: stedenbouw en ruimtelijke ordening, openbare werken en vervoer. Indien de federale Regering zo’n ordonnantie schorst, kan de Kamer van Volksvertegenwoordigers, binnen een bepaalde termijn en onder bepaalde voorwaarden, deze ordonnantie vernietigen. Anderzijds mogen hoven en rechtbanken in bepaalde gevallen nagaan of Brusselse ordonnanties in overeenstemming zijn met de Grondwet of met de bijzondere wet waarbij de Brusselse instellingen zijn opgericht. Wanneer zij een gebrek aan overeenstemming vaststellen, mogen zij weigeren de ordonnantie toe te passen.

De verwezenlijkingen

Sinds het begin van de eerste zittingsperiode, heeft het Parlement regels uitgevaardigd in alle grote domeinen van de gewestelijke bevoegdheid. Aldus is een werkelijk Brussels gewestelijk recht tot stand gekomen, met eigen regels inzake ruimtelijke ordening en behoud van het onroerend erfgoed (BWRO, Brusselse Wetboek van Ruimtelijke Ordening), wederopleving van wijken, de financiering van de gemeenten, voorkomen en beheer van de afvalstoffen, milieu-effectenevaluatie van bepaalde projecten, huisvesting (Brusselse Huisvestingscode), economische expansie, recht op minimumlevering van elektriciteit en drinkwater, organisatie van het openbaar vervoer (de MIVB), de ontwikkeling van de haven en de voorhaven enz.

De goedkeuring van de begrotingen

De ontvangsten- en uitgavenbegrotingen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden door de commissie voor financiën behandeld; de andere commissies kunnen ook gevraagd worden een advies uit te brengen. Vervolgens worden de begrotingen in plenaire vergadering onderzocht. Zij worden steeds bij voorrang behandeld, maar voor het overige wordt dezelfde procedure toegepast als voor elk ander ontwerp van ordonnantie.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest beschikt over eigen fiscale en niet-fiscale inkomsten. Dit wordt geregeld door de bijzondere wet van 16 januari 1989 met betrekking tot de financiering van de Gemeenschappen en Gewesten.

De Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (VVGGC)

De 89 Brusselse volksvertengenwoordigers hebben niet alleen te maken met gewest- en agglomeratiebevoegdheden. De bijzondere wet van 12 januari 1989 bepaalt immers dat de leden van beide taalgroepen, dus de 89 Brusselse volksvertegenwoordigers, de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie vormen.

Het voorzitterschap, het Bureau en het Bureau in uitgebreide samenstelling van de Verenigde Vergadering en de taken ervan, alsmede de diensten van de Verenigde Vergadering zijn dezelfde als die van het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

 
Ordonnanties en verordeningen

Zoals het Parlement treedt de Verenigde Vergadering wetgevend op via ordonnanties en verordeningen. Zij oefent al haar bevoegdheden uit via ordonnanties, behalve wanneer zij als inrichtende macht optreedt in gemeenschapsaangelegenheden: in deze gevallen beslist zij via verordeningen.

Dubbele meerderheid

De Verenigde Vergadering trendt wetgevend op volgens dezelfde procedure als in het Parlement, maar voor elk ontwerp of voorstel van ordonnantie is er in elke taalgroep een meerderheid nodig.

 

 

 

 

 

Het reglement

Artikel 44 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, toepasselijk verklaard door artikel 28 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, bepaalt dat “elk Parlement zijn Reglement vast[stelt], waarin hij inzonderheid bepaalt dat het bureau van het Parlement alsmede de commissies samengesteld worden volgens het stelsel van de evenredige vertegenwoordiging van zijn politieke fracties en van zijn taalgroepen.”.

Het Brussels Hoofdstedelijk Parlement en de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, die de aangelegenheden bedoeld bij de artikelen 39, 135 en 166 van de Grondwet regelen, hebben dezelfde samenstelling, dezelfde organen, dezelfde personeelsleden en ook hetzelfde Reglement, behalve de bepalingen die specifiek zijn voor elk van de twee assemblees en er uitdrukkelijk in vermeld worden.

Het reglement van het Parlement bevat, enerzijds, een groot aantal bepalingen over de interne organisatie (geldigverklaring van de kiesverrichtingen, regels voor de plaatsvervanging van de volksvertegenwoordigers, samenstelling van de taalgroepen en politieke fracties, benoeming van het Bureau, taken van de voorzitter, werking van de commissies en plenaire vergaderingen, regeling van de spreektijd, stemprocedures, tucht, onderzoek van petities…) en, anderzijds, bepalingen die de betrekkingen regelen met de overige machten (overlegorganen, mogelijkheid om advies te vragen aan de Raad van State of het Grondwettelijk Hof, controle op de Regering via de parlementaire vragen, de begrotingsprocedure of de motie van wantrouwen; betrekkingen met de overige assemblees van het land en met de Europese instellingen).

Elk lid van het Parlement heeft het recht voorstellen tot wijziging van het reglement in te dienen, die enkel met naleving van een specifieke procedure (regels inzake het quorum en de vertegenwoordiging van de taalgroepen) kunnen worden aangenomen.